ECLI:NL:CRVB:2020:1292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde voorschotten pgb wegens niet-naleving verplichtingen
Appellante had voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €45.819,61 ontvangen om AWBZ-zorg in te kopen. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 7 april 2016 op nihil vast en vorderde de onverschuldigd betaalde voorschotten terug, omdat appellante niet aan de pgb-verplichtingen had voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de voorschotten terug te vorderen. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk was verleend en betaald. Ook haar argumenten over haar psychische gesteldheid en het beheer door een derde werden niet gevolgd.
In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. De Raad benadrukt dat de bewijslast bij de verzekerde ligt om aan te tonen dat de zorg is geleverd en betaald. Nu appellante dit niet voldoende heeft gedaan en geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering heeft aangevoerd, slaagt het hoger beroep niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het pgb wordt terecht op nihil vastgesteld met terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten.