ECLI:NL:CRVB:2020:1344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering regularisatieovereenkomst socialezekerheidswetgeving Rijnvarenden
Betrokkene verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een regularisatieovereenkomst te sluiten met de Luxemburgse autoriteit, zodat de Luxemburgse socialeverzekeringswetgeving op hem van toepassing zou blijven over de jaren 2010 en 2012. De Svb wees dit verzoek af, omdat betrokkene op grond van correspondentie van de Belastingdienst vanaf 2 maart 2009 redelijkerwijs had moeten weten dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving op hem van toepassing was. De Luxemburgse autoriteit weigerde bovendien medewerking omdat er geen premies waren afgedragen en de werkgevers failliet waren.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en passeerde het bevoegdheidsgebrek over het tijdvak 1 januari 2010 tot 1 mei 2010. De Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de lidstaten op grond van artikel 16 van Pro Verordening 883/2004 bevoegd zijn om af te wijken van artikel 4 van Pro de Rijnvarendenovereenkomst. De Raad benadrukt dat de Nederlandse rechter geen inhoudelijk oordeel kan geven over de weigering van de Luxemburgse autoriteit.
Betrokkene stelde dat de Svb onvoldoende zorgvuldig had gehandeld en dat Belgisch recht van toepassing was, maar deze stellingen werden verworpen. De Raad acht de weigering van de Svb niet onredelijk en wijst op vaste jurisprudentie dat correspondentie van de Belastingdienst bepalend is voor de kennis van betrokkene.
Ten slotte kent de Raad betrokkene een schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en tot vergoeding van proceskosten van € 262,50.
Uitkomst: De weigering van de Sociale verzekeringsbank om medewerking te verlenen aan de regularisatieovereenkomst wordt bevestigd en een schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.