Uitspraak
16.5840 AOW
OVERWEGINGEN
primairverzet tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet bevoegd zou zijn af te wijken van artikel 4 van Pro de Rijnvarendenovereenkomst. De rechtbank miskent volgens de Svb dat lidstaten volgens artikel 16 van Pro Vo 883/2004 in het belang van bepaalde personen of groepen personen in onderlinge overeenstemming uitzonderingen op de aanwijsregels kunnen maken.
ter zittingte kennen gegeven dat ten onrechte uitsluitend is beoordeeld of betrokkene in de jaren in geding redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de Nederlandse (en niet de Luxemburgse) socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is. Ook had actief moeten worden onderzocht en beoordeeld of er in het geval van betrokkene anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek van betrokkene om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst over deze jaren.
verwerptde stelling van de Svb dat betrokkene kon weten dat hij in Nederland verzekerd was omdat hij zorgtoeslag ontving. Niet gebleken is dat aan de toekenning van deze toeslag een voor betrokkene kenbare en begrijpelijke toetsing van zijn verzekeringspositie door een daartoe bevoegd orgaan vooraf is gegaan.
gevolgdin zijn standpunt dat het betrokkene vanaf de ontvangst van een besluit van de belastingdienst van 13 oktober 2011 met betrekking tot de premieplicht over een deel van het jaar 2008, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onderworpen was. In de beslissing van
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de Svb wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat beroep tegen de door de Svb te nemen nieuwe beslissing op bezwaar alleen bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 375,75.