ECLI:NL:CRVB:2020:1375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ziektewetuitkeringen ten onrechte beëindigd wegens onderschatting psychische beperkingen
Appellant, werkzaam als monteur telecommunicatie, meldde zich op 10 maart 2015 ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 23 september 2015 en later opnieuw per 19 juli 2016, omdat verzekeringsartsen appellant geschikt achtten voor zijn functie. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde zijn beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door zijn psychische en lichamelijke klachten niet geschikt was voor zijn werk. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een uitgebreid onderzoek verrichtte, waaronder een specialistisch onderzoek naar een autismespectrumstoornis. De deskundige concludeerde dat appellant psychisch ernstiger beperkt was dan eerder vastgesteld en op de relevante data niet inzetbaar was voor arbeid.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en dat de reactie van de verzekeringsarts onvoldoende was om dit te weerleggen. Hierdoor was de rechtbank onjuist geweest in haar oordeel dat appellant geschikt was voor arbeid. De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en besluiten, herroept de beëindigingsbesluiten en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De besluiten tot beëindiging van de Ziektewetuitkeringen worden vernietigd en herroepen, met doorlopende uitkeringsrechten voor appellant.