ECLI:NL:CRVB:2020:1436

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/1998 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij kostendelersnorm

De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok bij besluit van 16 april 2018 de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van appellant in, omdat zijn inkomen hoger was dan de norm met toepassing van de kostendelersnorm. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de kostendelersnorm niet van toepassing was vanwege de tijdelijke en ernstige ziekte van zijn inwonende zoon.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het inkomen van appellant, ook zonder toepassing van de kostendelersnorm, al hoger was dan de bijstandsnorm. Hierdoor had appellant geen recht meer op de AIO-aanvulling vanaf 1 januari 2018. De Raad stelde vervolgens ambtshalve de vraag of appellant voldoende procesbelang had bij het hoger beroep, waarbij een principieel belang niet volstaat.

Omdat appellant geen concreet procesbelang kon aantonen, verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter W.F. Claessens op 7 juli 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

19 1998 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 7 juli 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2019, 18/1801 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
De Svb heeft bij besluit van 16 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juni 2018 (bestreden besluit), de aan appellant verleende bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat vanaf dat moment het inkomen van appellant hoger is dan het voor hem met toepassing van de kostendelersnorm vastgestelde normbedrag. De Svb heeft toepassing gegeven aan de kostendelersnorm omdat de inwonende zoon van appellant als kostendelende medebewoner moet worden aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep als enige beroepsgrond aangevoerd dat de kostendelersnorm in zijn geval niet van toepassing is, omdat zijn zoon ernstig ziek was en om die reden slechts tijdelijk bij appellant inwoonde.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen staat vast dat, ook als geen toepassing wordt gegeven aan de kostendelersnorm, het inkomen van appellant – bestaande uit een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, twee andere pensioenen en een persoonsgebonden budget – vanaf 1 januari 2018 al hoger was dan de voor appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm. Hieruit volgt al dat appellant vanaf 1 januari 2018 geen recht meer had op een AIO-aanvulling.
4.2.
Gelet op 4.1 ziet de Raad zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
4.3.
Appellant heeft gesteld een principieel belang te hebben bij het oordeel over de toepassing van de kostendelersnorm in zijn specifieke situatie. Zoals onder 4.2 is overwogen, is dat echter onvoldoende om een procesbelang aan te nemen. Nu voor het overige niet is gebleken dat appellant enig procesbelang heeft in de onder 4.2 bedoelde zin, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2020.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J.B. Beerens