Uitspraak
18.628 AWBZ
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geïndiceerd voor AWBZ-zorg, ontving voor 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor. Het zorgkantoor stelde het pgb voor beide jaren op nihil vast en vorderde onverschuldigde voorschotten terug, omdat appellant de aan het pgb verbonden verplichtingen niet zou zijn nagekomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen wegens onvoldoende verantwoording van de besteding aan AWBZ-zorg. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad onderschrijft dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen, maar oordeelt dat het pgb niet in redelijkheid op nihil kon worden vastgesteld. Uit stukken en verklaringen blijkt dat appellant in redelijkheid een deel van het pgb heeft besteed aan persoonlijke verzorging door zijn moeder, die gemiddeld 8,45 uur per week zorg verleende tegen een uurtarief van € 20,-. Daarom stelt de Raad het pgb voor 2013 en 2014 vast op respectievelijk € 9.874,38 en € 9.765,43 en past de terugvorderingen aan.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en wijst de zaak zelf af. Tevens veroordeelt de Raad het zorgkantoor in de proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het pgb voor 2013 en 2014 wordt vastgesteld op respectievelijk € 9.874,38 en € 9.765,43 en de terugvorderingen worden dienovereenkomstig aangepast.