ECLI:NL:CRVB:2020:1458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met psychische en rugklachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek summier was en haar psychische klachten onvoldoende werden meegenomen, met name traumaverwerking en posttraumatische stressstoornis. Zij betoogde dat verzekeringsartsen niet in staat zijn een volledig beeld te verkrijgen en verzocht om vergoeding van wettelijke rente.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was, mede door aanvullend onderzoek en medische informatie van behandelaars. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een passende FML opgesteld die rekening hield met de aard en ernst van de problematiek. Er was geen nieuwe medische informatie die twijfel aan de juistheid van de beperkingen rechtvaardigde.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen grond voor inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.