ECLI:NL:CRVB:2020:148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat werkgever aan re-integratieverplichtingen heeft voldaan zonder loonsanctie bij toekenning WIA-uitkering
Appellant was sinds 1 juli 2008 werkzaam bij de werkgever en viel in juli 2014 uit wegens vermoeidheids- en spanningsklachten. Gedurende de re-integratieperiode zijn meerdere plannen van aanpak opgesteld en aangepast op basis van deskundigenoordelen en medische rapporten. De werkgever heeft zowel het eerste als het tweede spoor van re-integratie ingezet.
Appellant betwistte dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen had geleverd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen niet juist weergeeft. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat appellant geen belang had bij een inhoudelijke beoordeling van de WIA-toekenning omdat hij de maximale uitkering ontving.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van de wet en beleidsregels geen loonsanctie meer kan worden opgelegd na afloop van de wachttijd. De Raad bevestigt dat werkgever in redelijkheid aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan, ondanks dat het resultaat niet bevredigend was. De medische beperkingen van appellant zijn adequaat in de FML verwerkt. Het hoger beroep wordt afgewezen, het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd en de proceskosten worden deels aan het Uwv opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en wijst het verzoek om loonsanctie en schadevergoeding af.