ECLI:NL:CRVB:2015:298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen loonsanctie wegens voldoende re-integratieverplichtingen werkgever
Appellant, een onderhoudsmonteur die wegens psychische klachten uitviel, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe en besloot geen loonsanctie op te leggen aan zijn werkgever, omdat deze voldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Appellant maakte bezwaar tegen het niet opleggen van een loonsanctie, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkgever tekort was geschoten in zijn re-integratieverplichtingen, onder meer door het volgen van een onjuiste diagnose en het niet opvolgen van adviezen van de arbodienst. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de werkgever en arbodienst adequaat hadden gehandeld binnen de kaders van de Wet WIA en de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter.
De Raad benadrukte dat het UWV tijdig een beschikking moet geven over de loonsanctie en dat het niet opleggen van een loonsanctie na afloop van de wachttijd niet onrechtmatig is. Ook is de werkgever niet aansprakelijk voor de inhoudelijke behandeling door een externe zorginstelling. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding en wettelijke rente werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De loonsanctie wordt niet opgelegd omdat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.