ECLI:NL:CRVB:2020:1498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek bevestigd
Appellante ontving sinds 2013 een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een auto-ongeluk in 2014 en diverse herbeoordelingen bleef haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld. Het UWV beëindigde in 2018 de uitkering op grond van een nieuwe beoordeling die een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% vaststelde.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van januari 2018 voldoende rekening hielden met de klachten en beperkingen van appellante. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies op opleidingsniveau 2, waarbij de reservefunctie medewerker tuinbouw als basis diende voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid van 22,19%.
Appellante voerde aan dat eerdere artsen haar volledig arbeidsongeschikt achtten en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege haar opleiding. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidskundige beoordeling juist was, met uitzondering van de functie besteller post die niet passend werd geacht. Dit leidde echter niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 35%.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, terwijl het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.