ECLI:NL:CRVB:2020:1508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-uitkering derde echtgenote in polygamie
Appellante, geboren in 1952, was de derde echtgenote in polygamie van een man die in 1997 overleed. Zij ontving vanaf november 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, die met ingang van juli 2009 volledig aan haar werd toegekend omdat de andere echtgenotes niet meer in aanmerking kwamen. Toen appellante de pensioengerechtigde leeftijd bereikte in november 2017, vroeg zij een ouderdomspensioen (AOW) aan.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit pensioen toe te kennen omdat appellante geen verzekerde tijdvakken in Nederland had opgebouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overwoog dat appellante niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en geen recht heeft op huwelijkse tijdvakken.
Daarnaast heeft het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV) geen zelfstandige aanspraak op een Nederlands ouderdomspensioen toegekend aan derde echtgenotes in polygamie. Zowel vóór als na 1 november 2004 was alleen de eerste echtgenote gerechtigd tot een zelfstandig ouderdomspensioen op basis van huwelijkse tijdvakken. De beleidsmatige toepassing van het NMV door de Svb is niet onjuist of onredelijk. De Raad concludeert dat appellante geen recht heeft op een ouderdomspensioen en bevestigt de afwijzing van haar aanvraag.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een AOW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van verzekerde tijdvakken en het ontbreken van zelfstandige aanspraak volgens het NMV.