ECLI:NL:CRVB:2020:1514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AOW-uitkering wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellant vroeg een ouderdomspensioen aan op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en stelde jaarlijks ongeveer zes maanden in Nederland te verblijven. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem een pensioen toe met een korting vanwege niet-verzekerde jaren. De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing en beval nader onderzoek naar de woon- en verblijfssituatie van appellant.
De Svb stelde op basis van onderzoek bij Canadese instanties en eigen bevindingen vast dat appellant sinds 1990 niet langer ingezetene van Nederland was. Hij stond uitgeschreven in de Nederlandse basisadministratie, verhuurde zijn woning in Nederland, had een verblijfadres bij zijn moeder en werkte in Canada in een eigen goudmijn. Appellant voerde aan dat hij wel degelijk langdurig in Nederland verbleef, maar kon dit niet ondubbelzinnig aantonen.
De Raad concludeerde dat het Verdrag sociale zekerheid Nederland-Canada niet doorslaggevend was en beoordeelde de situatie aan de hand van nationaal recht. Op grond van vaste jurisprudentie is bepalend of een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat. Die band ontbrak volgens de Raad, mede vanwege het langdurige verblijf en werk in Canada, het ontbreken van inschrijving in Nederland en onvoldoende bewijs van langdurig verblijf in Nederland.
De stukken die appellant overlegde boden geen eenduidig beeld en de verklaringen van kennissen waren onvoldoende specifiek en deels tegenstrijdig. Ook de sporadische bezoeken aan Nederland en tandartsbezoeken waren onvoldoende om een duurzame band aan te tonen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op het ouderdomspensioen wordt bevestigd wegens het ontbreken van een duurzame band met Nederland.