ECLI:NL:CRVB:2020:1562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij haar arbeidsongeschiktheid aanvankelijk werd vastgesteld tussen 80 en 100%. Na een herbeoordeling stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 63,40%, en later op minder dan 35%, waarop de WIA-uitkering werd beëindigd per 15 november 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen sprake zag van geen benutbare mogelijkheden en de gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende was gemotiveerd. De rechtbank wees ook het verzoek af om onafhankelijke deskundigen te benoemen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen, en verzocht zij om deskundigenonderzoek. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV juist en voldoende gemotiveerd was, dat eerdere diagnoses onvoldoende aanleiding geven tot andere beperkingen, en dat geen nieuwe informatie was overgelegd die de beoordeling zou rechtvaardigen.
De Raad bevestigde de rechtbankuitspraak en oordeelde dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Er is geen aanleiding tot het inschakelen van onafhankelijke deskundigen of het toewijzen van het hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.