ECLI:NL:CRVB:2021:592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2017
Appellant, die wegens psychische klachten en andere gezondheidsproblemen arbeidsongeschikt is, verzocht het UWV om een WIA-uitkering per 1 januari 2017. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De medische beoordeling was gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2017, waarin de psychische en rugklachten werden meegenomen, maar slaapapneu, gehoorproblemen en adipositas buiten beschouwing werden gelaten omdat deze klachten na de wachttijd waren ontstaan.
De rechtbank onderschreef dit standpunt en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er sprake was van zwaardere beperkingen, onder meer door een diagnose van Borderline-persoonlijkheidsstoornis en sociaal disfunctioneren, en dat de effecten van slaapapneu en andere klachten onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten van het UWV voldoende en goed gemotiveerd waren. De Raad volgde het oordeel dat de beperkingen niet waren toegenomen en dat de FML een juist inzicht gaf in de belastbaarheid van appellant. De Raad wees het verzoek tot het benoemen van een psychiater af en bevestigde dat de weigering van de WIA-uitkering terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering per 1 januari 2017 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.