Appellante stond ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (brp) en ontving studiefinanciering als uitwonende studente vanaf 2012. De minister voerde een onderzoek uit naar haar woonsituatie, waarbij een huisbezoek plaatsvond op het brp-adres. Op basis van het onderzoek besloot de minister in 2017 de studiefinanciering te herzien en appellante als thuiswonend aan te merken, met terugvordering van €13.003,17.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk op het brp-adres woonde.
De Raad nam mee dat het ontbreken van een vaste slaapplaats op het brp-adres zwaar woog en dat tegenstrijdige verklaringen van appellante en de hoofdbewoonster het vermoeden van niet-thuiswonerschap versterkten. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden en wees het beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.