ECLI:NL:CRVB:2020:1608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting WGA-vervolguitkering na verslechtering gezondheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering geweigerd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een verslechtering van zijn gezondheid werd hem een WGA-vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van ongeveer 38%. Appellant meldde opnieuw een verslechtering per 15 december 2015, waarna het UWV de beperkingen opnieuw beoordeelde en de uitkering ongewijzigd voortzette.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat de verzekeringsartsen over voldoende medische informatie beschikten en de beoordeling zorgvuldig was. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten fors waren toegenomen en ondersteunde dit met medische rapporten, maar het UWV motiveerde overtuigend waarom de beperkingen gelijk waren gebleven.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld. De voorbeeldfuncties waarop het besluit was gebaseerd, waren medisch passend. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering wordt ongewijzigd voortgezet met een arbeidsongeschiktheid van 38,17%.