ECLI:NL:CRVB:2020:1616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na toetsing medische beoordeling
Appellant, laatstelijk incassomedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan vanwege lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten een arbeidsongeschiktheid van 26,07% vast en wees de uitkering af omdat dit onder de 35% grens lag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van schending van het beginsel van equality of arms. De rechtbank vond dat de psychische en fysieke beperkingen voldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat, dat de psychiatrische expertise onjuist was en dat hij financieel niet in staat was een contra-expertise te bekostigen. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat er geen reden was om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld, dat de medisch geselecteerde functies passend waren en dat het hoger beroep ongegrond was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.