ECLI:NL:CRVB:2020:1623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet langer gelijkstelling met Nederlander
Appellant, van onbekende nationaliteit, had sinds 2004 een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote, maar deze vergunning is met terugwerkende kracht ingetrokken per 27 april 2012. Het huwelijk werd ontbonden in 2016 en appellant verblijft niet langer rechtmatig in Nederland. Het college trok daarom de bijstand per 1 juni 2017 in, hoewel appellant al sinds 9 december 2016 geen recht meer had op bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking van de bijstand ongegrond en oordeelde dat het college terecht afzag van het horen van appellant bij het bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog recht op bijstand had vanwege zijn lopende beroepsprocedure tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en dat hij gehoord had moeten worden.
De Raad overweegt dat appellant vanaf 9 december 2016 geen recht meer had op bijstand omdat hij niet langer gelijkgesteld wordt met een Nederlander zoals bedoeld in de Participatiewet. Het college mocht op grond van de Algemene wet bestuursrecht afzien van het horen van appellant bij het bezwaar. Tevens is het college bevoegd om onderzoek naar het recht op bijstand te verrichten zonder voorafgaande aanleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen niet leiden tot bijstandverlening aan appellant.
De beroepsgrond dat het verzoek om vrijstelling van griffierecht ten onrechte werd afgewezen faalt omdat geen dergelijk verzoek in het dossier aanwezig is. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 augustus 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.