Appellant ontving bijstand vanaf november 2012. Op 28 oktober 2016 trof de politie in zijn woning een in werking zijnde hennepkwekerij aan. Uit onderzoek bleek dat appellant exploitant was en minimaal twee keer had geoogst. Het college trok de bijstand per 10 juni 2016 in wegens niet gemelde inkomsten uit de kwekerij. Appellant voerde aan dat hij geen eerdere oogst had en gebruikte tweedehandsapparatuur, wat de indicatoren zou verklaren.
De Raad stelde vast dat de politie diverse aanwijzingen vond die duiden op minstens één eerdere oogst, zoals hennepresten, vervuilde apparatuur en kalkafzetting. Appellant kon dit niet met objectief bewijs weerleggen. De gemiddelde kweekcyclus en plantleeftijd leidden tot de conclusie dat appellant vanaf 17 juni 2016 op geld waardeerbare activiteiten verrichtte. Omdat appellant geen administratie bijhield, kon het college de financiële situatie niet vaststellen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden bevestigd.
De Raad vernietigde het besluit voor de periode 10 tot en met 16 juni 2016 wegens onvoldoende bewijs van schending van de inlichtingenplicht in die periode. Voor de periode vanaf 17 juni 2016 bleef het besluit gehandhaafd. Het college werd veroordeeld in de kosten van appellant en moest het betaalde griffierecht vergoeden.