Betrokkene ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, die door het UWV werd beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende arbeidskundige onderbouwing over de geschiktheid van geselecteerde functies, met uitzondering van een beperking op het beoordelingspunt 1.8.1 (afleiding door anderen).
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank deels bevestigd en deels vernietigd. De Raad onderschrijft dat er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling van betrokkene, die rekening houdt met zijn psychische en fysieke beperkingen. De Raad oordeelt dat de arbeidsdeskundige in het aanvullende rapport van oktober 2024 voldoende heeft toegelicht dat de geselecteerde functies passend zijn, mede door het gebruik van redelijke voorzieningen zoals noise cancelling koptelefoons en kantoorschermen.
De Raad wijst het verzoek van betrokkene af om een deskundige te benoemen en om aanvullende aantekeningen van de arbeidskundig analist in te brengen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de wettelijke criteria strikt zijn. De Raad vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat een nieuw besluit op bezwaar vereist, bevestigt het overige en laat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand.
Ten slotte veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en bepaalt vergoeding van griffierechten.