ECLI:NL:CRVB:2020:1646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, laatst werkzaam als kassamedewerkster, meldde zich ziek in 2014 en ontving aanvankelijk een ZW-uitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat zij per 24 november 2015 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Na een verergering van klachten in 2016 weigerde het UWV haar opnieuw een ZW-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en het medische oordeel juist was. Appellante stelde in hoger beroep dat zij meer beperkingen had dan het UWV had vastgesteld en dat zij in een ongelijke positie verkeerde zonder onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat er geen sprake was van een ongelijke positie en dat de medische stukken van appellante geen nieuwe objectieve gegevens bevatten die het oordeel van het UWV konden wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd.