ECLI:NL:CRVB:2020:1650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor functies na WIA-beoordeling
Appellante was sinds 11 augustus 2014 ziek gemeld en ontving een WIA-uitkering die per 8 augustus 2016 werd geweigerd vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Daarna ontving zij een Ziektewetuitkering die het UWV per 23 maart 2017 beëindigde, omdat een verzekeringsarts haar geschikt achtte voor diverse functies die eerder in de WIA-beoordeling waren vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV de beperkingen van appellante niet had onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde waarom de medische stukken geen aanleiding gaven tot een andere conclusie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van toegenomen klachten en dat het onderzoek onvolledig was, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. Het dossieronderzoek door de verzekeringsarts was voldoende, en de aangevoerde medische stukken ondersteunden niet dat appellante per 23 maart 2017 niet geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 23 maart 2017 bevestigd.