ECLI:NL:CRVB:2020:1658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand voor EU-gemeenschapsburger zonder rechtmatig verblijf
Appellant, een Poolse gemeenschapsburger, en zijn neef vroegen gezamenlijk bijstand aan omdat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Het college stelde vast dat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland had, bevestigd door een vreemdelingenrechtelijk besluit van de staatssecretaris.
Het college kende daarom bijstand toe volgens de norm voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner. Appellant voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had op grond van Unierecht, omdat hij sinds 2007 in Nederland woonde en werkte. De Raad oordeelde dat de vaststelling van de staatssecretaris dat appellant nooit rechtmatig verblijf had gehad, onaantastbaar was en dat het college daarop mocht vertrouwen.
Appellant had geen wijzigingen in omstandigheden aangetoond die een herziening van het vreemdelingenrechtelijk besluit rechtvaardigen. De Raad stelde vast dat appellant niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander en dat het college de juiste bijstandsnorm had toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand is terecht toegekend volgens de norm voor gehuwden met een niet-rechthebbende partner.