ECLI:NL:CRVB:2020:1666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in eigen stichting
Appellant ontvangt sinds 2005 bijstand en verrichtte vrijwilligerswerk bij een stichting. Na een tip van de Belastingdienst stelde het college een onderzoek in waaruit bleek dat appellant een nieuwe stichting had opgericht en daar op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode vanaf de oprichting van de nieuwe stichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden, dat hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen. De Raad oordeelde dat appellant en de stichting als één moeten worden gezien, dat de werkzaamheden wel degelijk op geld waardeerbaar waren en dat appellant bewust onjuiste informatie had verstrekt.
Daarnaast kon appellant niet aantonen dat hij recht had op bijstand indien hij wel aan de inlichtingenverplichting had voldaan. Ook het beroep op dringende redenen faalde wegens gebrek aan onderbouwing. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden in een zelf opgerichte stichting.