Appellant was arbeidsongeschikt door knieklachten en psychische aandoeningen en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 21,44%, onder de vereiste 35%, en weigerde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij deskundigen rapporten opstelden, waaronder een door de rechtbank benoemde psychiater die geen aanwijzingen vond voor PTSS en de beperkingen bevestigde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat hij meer beperkingen had dan het UWV erkende, onderbouwd met medische rapporten. De Raad volgde echter het deskundigenrapport en oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen op de datum in geding.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden met bijna zeven maanden. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad werd een schadevergoeding van €1.000,- toegekend, waarvan €429,- door het UWV en €571,- door de Staat betaald moet worden. De Raad veroordeelde beide partijen ook tot vergoeding van de proceskosten.
De uitspraak bevestigt het besluit van het UWV en erkent de overschrijding van de redelijke termijn, met een passende schadevergoeding voor appellant.