ECLI:NL:CRVB:2020:1676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap Nederland op achttiende verjaardag
Appellant, geboren in Curaçao, vroeg een Wajong-uitkering aan die door het UWV werd afgewezen omdat hij op zijn achttiende verjaardag niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op die dag in Nederland woonde. Ook de hardheidsclausule werd niet toegepast omdat deze niet van toepassing was op zijn situatie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV ten onrechte geen hoorzitting had gehouden, waardoor hij zijn verblijf in Nederland niet goed kon toelichten. Tevens stelde hij dat hij onder de hardheidsclausule viel vanwege zijn omstandigheden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectief bewijs had geleverd van ingezetenschap op zijn achttiende verjaardag en dat zijn intentie om naar Nederland te verhuizen niet volstaat.
De Raad erkende dat het UWV had moeten horen conform de Awb, maar dat deze procedurefout niet tot vernietiging leidt omdat de uitkomst hetzelfde zou zijn geweest. De hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel konden niet worden toegepast. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Wajong-aanvraag wordt afgewezen omdat appellant op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland was; het ontbreken van een hoorzitting leidt niet tot vernietiging van het besluit.