ECLI:NL:CRVB:2020:169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing dienstbetrekking tussen appellant en vastgoedfinancieringsmaatschappij
Appellant was werkzaam vanaf 1 mei 2009 bij een vastgoedfinancieringsmaatschappij die in 2014 failliet werd verklaard. Het Uwv kende hem aanvankelijk een faillissementsuitkering en WW- en Ziektewetuitkering toe, maar stelde later op basis van een strafrechtelijk FIOD-onderzoek dat appellant geen werknemer was in de zin van de WW vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
Het Uwv besloot de uitkeringen terug te vorderen en verklaarde de bezwaren van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het Uwv zorgvuldig had gehandeld en dat de bewijslast was voldaan. Appellant stelde in hoger beroep dat het Uwv onzorgvuldig had gehandeld en dat er wel een gezagsverhouding bestond, onder meer op grond van een arbeidsovereenkomst van april 2014 en negen voorbeelden die hij aanvoerde.
De Raad oordeelde dat het strafrechtelijke onderzoek en de verklaringen daarin relevant en toelaatbaar waren, dat de onderlinge verwevenheid van de verschillende vennootschappen en stichtingen en de zeggenschap van appellant wezen op een samenwerkingsverband zonder gezagsverhouding. De arbeidsovereenkomst van 2014 werd niet als doorslaggevend beschouwd, mede vanwege het naderende faillissement.
De Raad concludeerde dat het Uwv de bewijslast had voldaan en appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de terugvordering van de uitkeringen gegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer was en dat het Uwv terecht de uitkeringen heeft ingetrokken.