ECLI:NL:CRVB:2016:1759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen ex-echtgenoten in WW-uitkeringszaak
Appellante was gehuwd met [L.] en werkte als administratief medewerkster bij diens vennootschap [naam B.V. 1]. Na beëindiging van de arbeidsrelatie en een daaropvolgend verzoek om WW-uitkering stelde het UWV dat appellante niet verzekerd was voor de werknemersverzekering omdat geen sprake was van een dienstbetrekking.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende gezagsverhouding bestond en dat de overheersende familierelatie een dienstbetrekking uitsloot. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk een privaatrechtelijke dienstbetrekking had, met een gezagsverhouding en marktconform loon.
De Raad wijzigde de vaste rechtspraak door te stellen dat het bestaan van een dienstbetrekking tussen (ex-) echtgenoten niet per definitie wordt uitgesloten, maar in elk concreet geval moet worden beoordeeld. De Raad concludeerde echter dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een dienstbetrekking bestond, mede vanwege het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, onregelmatige loonbetaling, en het feit dat zij mede-eigenaar was van de vennootschap.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht heeft op WW-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Uitkomst: Appellante heeft geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aangetoond en krijgt geen WW-uitkering toegekend.