ECLI:NL:CRVB:2020:1710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde Ziektewet-uitkering ondanks schrijnende situatie weduwe
De zaak betreft een hoger beroep tegen de terugvordering van een ten onrechte betaalde Ziektewet-uitkering aan de erven van de overledene, [A]. [A] had zich ziek gemeld terwijl hij een WW-uitkering ontving en ontving vervolgens een voorschot ZW-uitkering. Het UWV vorderde deze uitkering terug omdat hij volgens een verzekeringsarts geschikt werd geacht voor arbeid. De weduwe van [A] stelde dat terugvordering onaanvaardbaar was vanwege haar schrijnende financiële en medische situatie.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en oordeelde dat onvoldoende was onderbouwd dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Het UWV is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn. De Raad vond de medische en financiële omstandigheden van de weduwe niet zodanig uitzonderlijk dat terugvordering onaanvaardbaar zou zijn.
De Raad wees erop dat het UWV een afbetalingsregeling met de weduwe trof en dat zij een nabestaandenuitkering ontvangt. Er was geen causaal verband tussen de terugvordering en de klachten van de weduwe. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de ten onrechte betaalde Ziektewet-uitkering en wijst het hoger beroep af.