ECLI:NL:CRVB:2020:1711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellante, die zich ziek meldde met klachten aan het houding- en bewegingsapparaat, vroeg meerdere malen om toekenning van een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid, waarbij zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek werd uitgevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat appellante in staat was de geselecteerde functie van productiemedewerker industrie te verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische beoordeling onzorgvuldig was en dat haar beperkingen en vermoeidheidsklachten onvoldoende in acht waren genomen. Ook stelde zij dat de geselecteerde functie ongeschikt was vanwege concentratieproblemen en geheugenbelasting. De Raad volgde deze argumenten niet, omdat appellante geen nieuwe medische informatie had overgelegd en de arbeidsdeskundige had toegelicht dat de functie medisch geschikt was.
De Raad bevestigde voorts dat de toename van beperkingen per 6 juli 2016 niet leidde tot een recht op WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De medische rapporten waren zorgvuldig en volledig, inclusief beoordeling van brieven van huisarts en revalidatiearts. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.