ECLI:NL:CRVB:2020:1732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergoeding bezwaarkosten bij herleving WIA-uitkering zonder onrechtmatigheid Uwv
Appellant heeft vanaf 30 december 2011 recht op een WIA-uitkering vanwege 100% arbeidsongeschiktheid. In 2018 werd zijn uitkering stopgezet omdat hij niet meewerkte aan een klinische observatie die noodzakelijk werd geacht voor de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar herleefde de uitkering op basis van een door appellant ingebrachte psychiatrische expertise, maar het Uwv weigerde de kosten van het bezwaar te vergoeden omdat er geen sprake was van een aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Uwv niet onzorgvuldig had gehandeld. In hoger beroep voerde appellant aan dat de klinische observatie niet noodzakelijk was en dat zijn medische toestand meewerking onmogelijk maakte, maar de Raad concludeerde dat het Uwv voldoende had gemotiveerd waarom de observatie noodzakelijk was en appellant geen goede redenen had gegeven om niet mee te werken.
De Raad wees het verzoek om aanhouding af omdat appellant eerder voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het Uwv niet verplicht was de kosten van het bezwaar te vergoeden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv terecht de kosten van bezwaar niet vergoedt omdat geen sprake is van een aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid.