Uitspraak
19 2500 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheidspercentage vast van 36,46%, dat later na bezwaar werd verhoogd naar 42,16%. Na een nieuwe beoordeling door het UWV werd het percentage op 41,39% vastgesteld, waarop appellant beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen rekening hadden gehouden met de psychische en fysieke klachten van appellant. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van een oneerlijk proces of schending van het equality of arms-beginsel, ondanks het ontbreken van aanvullende medische informatie door appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij volledig arbeidsongeschikt was en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige vanwege vermeende schending van het equality of arms-beginsel. De Raad volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt te onderbouwen, en dat er geen reden was om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen.
De Raad bevestigde de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage op 41,39% en wees het verzoek om schadevergoeding af. De aangevallen uitspraak werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage op 41,39% en wijst het hoger beroep af.