Appellant, voormalig bewakingsagent, kreeg een Ziektewetuitkering toegekend na ziekmelding in augustus 2016. Het UWV beëindigde deze uitkering per 15 september 2017 omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met beperkingen, met name op het gebied van dieptezien. Nieuwe medische rapporten bevestigden beperkingen in dieptezien, maar de Raad concludeerde dat ondanks het uitsluiten van functies die die beperking vereisen, er nog voldoende passende functies overbleven waarbij appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde, hoewel het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was. Dit motiveringsgebrek werd gepasseerd omdat de uitkomst niet anders zou zijn geweest. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.