ECLI:NL:CRVB:2020:1823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap op achttiende verjaardag
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat appellant op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland of een EU/EER-land woonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet was ingeschreven in Nederland in de relevante periode en onvoldoende aannemelijk was dat hij er woonde. Appellant voerde aan dat hij wel degelijk een duurzame persoonlijke band met Nederland had, onder meer door verblijf, medische behandeling en familie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ingezetenschap wordt beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden en dat een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is. Uit de basisregistratie personen en medische gegevens bleek dat appellant tussen 2012 en 2016 vermoedelijk niet in Nederland verbleef. De verklaringen van kennissen waren onvoldoende concreet en niet toereikend om een duurzame band aan te tonen.
De Raad verwierp het beroep op overmacht vanwege psychische en lichamelijke kwetsbaarheid, omdat appellant dit niet voldoende had onderbouwd. Ook de intentie om in Nederland te verblijven of terug te keren was onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat appellant op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene van Nederland was en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag voor een Wajong-uitkering is afgewezen omdat appellant op zijn achttiende verjaardag niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.