ECLI:NL:CRVB:2020:1837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-vervolguitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als orgelpijpenmaker en schoonmaker, ontving sinds 2009 een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV werd de mate van arbeidsongeschiktheid in 2016 vastgesteld op 53,23%. In 2018 werd een WGA-vervolguitkering toegekend, die in december 2018 werd beëindigd omdat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% was vastgesteld.
Appellant voerde bezwaar en beroep aan tegen deze beëindiging, stellende dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juli 2018 juist waren toegepast.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen waren overtuigend en de beperkingen in de FML waren adequaat gemotiveerd.
De Raad concludeerde dat de belastbaarheid van appellant niet werd overschreden door de belastingen van de geselecteerde voorbeeldfuncties en dat het verzoek om een deskundige niet gegrond was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens voldoende belastbaarheid van appellant.