ECLI:NL:CRVB:2020:1854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid medewerker tuinbouw ondanks allergieën
Appellante was sinds 2012 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Het Uwv stelde op 5 april 2017 vast dat zij voor 63,27% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op een Functionele Mogelijkheden-lijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond vanwege een gewijzigde FML waarin extra beperkingen waren opgenomen, maar oordeelde dat de functie medewerker tuinbouw passend bleef omdat daarin geen stoffen voorkwamen waarvoor appellante allergisch was.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de functie medewerker tuinbouw ongeschikt was vanwege haar allergie voor grassen, die in die functie zouden voorkomen. Het Uwv stelde dat de specifieke functie medewerker bloemzaadproductie binnen de tuinbouw geen contact met grassen inhoudt. De Raad bekeek uitsluitend de vraag of appellante op 4 april 2017 geschikt was voor de functie medewerker tuinbouw en concludeerde dat dit het geval was.
De Raad nam het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep over dat de functie geen stoffen bevat waarvoor appellante allergisch is. Hoewel appellante stelde mogelijk ook allergisch te zijn voor stuifmeel, kon zij dit niet aannemelijk maken. De functie voldoet aan de FML-voorwaarden, is fysiek licht en vindt plaats in een schone omgeving. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat appellante geschikt is voor de functie medewerker tuinbouw.