ECLI:NL:CRVB:2020:190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van boetes en besluiten rondom het niet afsluiten van een zorgverzekering
Appellant kreeg van het CAK meerdere boetes opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijnen afsluiten van een zorgverzekering. Na een eerste boete volgde een tweede boete en uiteindelijk sloot het CAK namens appellant een zorgverzekering af, waarna een bestuursrechtelijke premie werd opgelegd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en handelingen, waaronder tegen de boetes, het namens hem afsluiten van de verzekering en de eindafrekening van de bestuursrechtelijke premie. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de eerste boete niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, verwierp de bezwaren tegen de tweede boete en de eindafrekening, en oordeelde dat de brief waarin het CAK het namens appellant afsluiten van de verzekering mededeelde geen besluit is in de zin van de Awb.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het afsluiten van de zorgverzekering door het CAK wel als een besluit moet worden gezien vanwege de financiële gevolgen. De Raad overwoog dat dit niet anders is dan in eerdere uitspraken en bevestigde dat het afsluiten geen besluit is, ook al heeft het financiële consequenties. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.