ECLI:NL:CRVB:2020:1904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor aangepaste functies bevestigd
Appellante was werkzaam als consulente in de thuiszorg en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychotherapeut haar beperkingen onderschreef, maar de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met haar sociale beperkingen en werkdruk. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat de borderline-persoonlijkheidsstoornis mild was en niet tot arbeidsongeschiktheid leidde, mits rekening werd gehouden met duidelijke sociale contacten en beperkte werkdruk.
De deskundige achtte functies als huishoudelijk medewerker passend, ondanks mogelijke incidentele uitval door angst- en depressieve klachten. De Raad volgde het oordeel van de deskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante geschikt was voor ten minste één functie. De Ziektewetuitkering is daarom terecht beëindigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor ten minste één van de aangepaste functies.