ECLI:NL:CRVB:2020:1916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering en afwijzing WIA-uitkering na medische beoordeling
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV besloot op 22 april 2016 dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen WIA-uitkering kreeg. Na een periode van ziekte werd haar Ziektewetuitkering beëindigd op 10 oktober 2016. Appellante stelde dat haar rughernia al eerder bestond en verzocht om herziening van het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen nieuw feit of omstandigheid was om terug te komen op het eerdere besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de medische rapporten van verzekeringsartsen overtuigend aantonen dat de rughernia pas eind 2016 is vastgesteld, na de datum van het besluit. Er is geen sprake van onderschatting van de beperkingen van appellante.
De Raad wijst het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige af, omdat geen sprake is van schending van het equality of arms-beginsel en er voldoende medische informatie is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering en weigering van de WIA-uitkering worden bevestigd.