ECLI:NL:CRVB:2020:1971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vervroegde AOW-uitkering en schadevergoeding na wetswijziging
Appellant heeft een verzoek ingediend om zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) vervroegd toe te kennen, gebaseerd op de tot 1 januari 2013 opgebouwde verzekerde tijdvakken. Tevens verzocht hij om schadevergoeding wegens verlies van vermogensrechten door de wetswijziging die de pensioengerechtigde leeftijd verhoogde.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees het verzoek af omdat appellant de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar nog niet had bereikt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de wetswijziging een dwingendrechtelijke maatregel is die geen individuele, onevenredig zware last oplevert.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de opgebouwde rechten als vermogensrechten kunnen worden aangemerkt, maar dat de wetswijziging de periode van 50 jaar voor opbouw en de pensioengerechtigde leeftijd heeft verschoven. Hierdoor heeft appellant pas vanaf 66 jaar recht op zijn volledige ouderdomspensioen. De Raad oordeelde dat de latere ingangsdatum een proportionele inmenging in het eigendomsrecht vormt en dat geen wettelijke grondslag bestaat voor vervroegde uitbetaling of schadevergoeding.
De Raad zag geen aanleiding voor verwijzing naar een meervoudige kamer en bevestigde de eerdere uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om vervroegde AOW-uitkering op 65-jarige leeftijd en schadevergoeding wordt afgewezen.