Uitspraak
18.4622 AKW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in maart 2017 kinderbijslag aangevraagd voor vijf kinderen, waaronder een kind met een beperking waarvoor meervoudige kinderbijslag werd gevraagd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft dit geweigerd omdat appellant niet voldoende bijdroeg in het onderhoud van de kinderen en het kind met beperking niet tot zijn huishouden behoort.
De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard en vastgesteld dat appellant niet aan zijn onderhoudsverplichtingen heeft voldaan. Appellant stelde dat hij recht had op een gedeeltelijke kinderbijslag naar rato van de kinderen waarvoor hij wel heeft bijgedragen, maar dit werd door de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep heeft appellant niet betwist dat hij niet volledig heeft voldaan aan de onderhoudsverplichtingen, maar voerde hij aan dat hij gedeeltelijk recht zou hebben op kinderbijslag en dat het Besluit uitvoering kinderbijslag in strijd zou zijn met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, de Grondwet en verdragen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt dat onderhoudsbijdragen gelijkelijk worden geacht te zijn besteed aan de kinderen in het huishouden waarvoor kinderbijslag wordt gevraagd. De overige aangevoerde bezwaren zijn onvoldoende onderbouwd en leiden niet tot een ander oordeel.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft geen recht op kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage.