Uitspraak
21.3102 AKW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn kinderen die in Marokko wonen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvragen af omdat appellant niet met betaalbewijzen kon aantonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden en de daarvoor geldende minimale bedragen per kwartaal heeft voldaan.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de onderhoudsbijdragen gelijkelijk worden verdeeld over de kinderen in het huishouden, waardoor onvoldoende bijdrage per kind leidt tot afwijzing van de kinderbijslag. Appellant voerde verweer, onder meer dat hij wel voor één kind voldoende had bijgedragen en dat de normbedragen niet passend zijn voor kinderen in Marokko.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij aan de onderhoudsverplichting voldeed. De Raad bevestigde de vaste rechtspraak dat de onderhoudsbijdragen gelijkelijk over de kinderen worden verdeeld en verwierp het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de lagere kosten in Marokko. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de kinderbijslagaanvraag wordt bevestigd.