ECLI:NL:CRVB:2020:2061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens niet duurzaam gescheiden leven
Appellanten waren sinds 1983 gehuwd en woonden sinds 1999 niet meer samen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hen een AOW-pensioen toe volgens de norm van een ongehuwde pensioengerechtigde, omdat zij aannam dat zij duurzaam gescheiden leefden. Na een onderzoek in 2016, waarbij huisbezoeken werden afgelegd, concludeerde de Svb dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden leven en herzag zij het pensioen naar de gehuwde norm.
Appellanten voerden in bezwaar en beroep onder meer aan dat zij niet volledig geïnformeerd waren over het doel en de gevolgen van de huisbezoeken, dat zij wel degelijk duurzaam gescheiden leefden en dat een afbouwregeling bij de herziening had moeten gelden. De Raad oordeelde dat de toestemming voor de huisbezoeken op basis van informed consent was gegeven en dat de Svb voldoende had geïnformeerd over het doel en de gevolgen.
Verder stelde de Raad vast dat duurzaam gescheiden leven niet alleen afhangt van het feitelijk niet samenwonen, maar van het feit dat ieder een eigen leven leidt alsof niet gehuwd, wat niet het geval was gezien de feitelijke omstandigheden zoals gezamenlijke bezoeken, contact en financiële regelingen.
Ten slotte oordeelde de Raad dat de Svb terecht het pensioen heeft herzien met ingang van de toekomst en dat er geen dringende redenen waren om de herziening later te laten ingaan. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen naar de gehuwde norm is terecht en het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard.