ECLI:NL:CRVB:2020:211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens verblijf in buitenland niet in strijd met EU-recht
Appellante, woonachtig in Duitsland, ontving een WW-uitkering vanwege gedeeltelijke werkloosheid in Nederland. Na haar verhuizing naar Duitsland weigerde het UWV de export van de WW-uitkering en beëindigde deze vanwege het verblijf in het buitenland anders dan voor vakantie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van Verordening 883/2004 voor het behoud van de uitkering.
Appellante stelde dat artikel 65 van Pro Verordening 883/2004 ook van toepassing moest zijn op werknemers die tijdens hun werkloosheid naar een andere lidstaat verhuizen en dat het onderscheid tussen grensarbeiders en haar situatie ongerechtvaardigd was. Tevens voerde zij aan dat de beëindiging van de uitkering een disproportionele beperking van haar recht op vrij verkeer binnen de EU vormde.
De Raad oordeelde dat de uitsluiting van het recht op WW-uitkering conform de verordening en het nationale recht was, en dat het onderscheid tussen grensarbeiders en werknemers die tijdens gedeeltelijke werkloosheid grensarbeider worden, gerechtvaardigd is. Daarnaast werd geoordeeld dat het woonplaatsvereiste een objectieve en evenredige rechtvaardiging vormt voor de beperking van het recht op vrij verkeer, mede vanwege de noodzaak van effectieve controle op de rechtmatigheid van uitkeringen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de WW-uitkering wegens verblijf in Duitsland rechtmatig is.