ECLI:NL:CRVB:2020:2138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 56,77%
Appellante, laatstelijk werkzaam als woonbegeleidster, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 56,52%, later aangepast naar 56,77% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidsdeskundige de geschiktheid van functies voldoende had gemotiveerd.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende op haar gronden was ingegaan en dat een deskundige benoemd had moeten worden vanwege twijfel over haar urenbeperking. Ook betwistte zij de geschiktheid van de functie productiemedewerker industrie vanwege vermeende drukke werkomstandigheden. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank alle gronden had behandeld en de medische beoordeling juist was, waarbij de FML al aanzienlijke beperkingen bevatte.
De Raad vond geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en concludeerde dat de arbeidsdeskundige de functie van productiemedewerker industrie adequaat had toegelicht, waarbij de werkomgeving niet als druk werd beschouwd. De stelling van appellante over lawaai en drukte was onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht vastgesteld op 56,77% en het hoger beroep wordt afgewezen.