ECLI:NL:CRVB:2020:2146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens niet-melding onroerende goederen in Turkije
Appellanten ontvingen sinds 2002 bijstand op grond van de Participatiewet, waaronder een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) voerde vanaf 2013 een gefaseerd onderzoek uit naar rechtmatigheid van deze AIO-aanvullingen, waarbij ook het bezit van onroerende goederen buiten Nederland werd onderzocht.
Appellanten gaven op het controleformulier aan mede-eigenaar te zijn van een woning in Turkije. Uit onderzoek bleek dat appellant als eigenaar geregistreerd stond van een bedrijfsruimte en een appartement in Turkije. De Svb trok daarop de bijstand over de periode 2002 tot 2015 in en vorderde €81.667,61 terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het onderzoek niet discriminatoir was, dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet over de woning konden beschikken, en dat de terugvordering niet onevenredig was vanwege het ontbreken van gegevens over de waardeontwikkeling van de onroerende goederen. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet-melding van onroerende goederen in Turkije.