ECLI:NL:CRVB:2017:1688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- W.F. Claessens
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld bezit landbouwgronden in Turkije
Appellante ontving bijstand sinds 2009 en werd vanaf 2012 aangemerkt als alleenstaande. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij sinds 2009 voor een klein deel eigenaar was van landbouwgronden in Turkije, wat zij niet had gemeld aan het college. Het college trok daarop haar bijstand in vanaf 2012 en vorderde de kosten terug tot ruim €26.000.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat het college de waarde van de gronden vanaf 2014 kon vaststellen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar financiële situatie niet was gewijzigd door de erfenis en dat de terugvordering beperkt moest worden tot het vermogen boven de vrijlatingsgrens.
De Raad oordeelde dat appellante inderdaad haar inlichtingenplicht had geschonden, maar dat de waarde van de gronden ook voor de periode vóór de taxatie in 2014 redelijkerwijs kon worden vastgesteld. De intrekking van bijstand was terecht, maar de hoogte van de terugvordering was niet correct berekend. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betreft en gaf het college opdracht een nieuwe beslissing te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met het reparatoire karakter van de terugvordering en het vermogenssurplus.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering van bijstand.