Uitspraak
19.1687 AOW
OVERWEGINGEN
€ 2.000,-.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het beroep van appellant tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om niet mee te werken aan regularisatie van sociale zekerheidsbijdragen over de tijdvakken tot 1 mei 2010. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin werd bepaald dat nieuwe beslissingen op bezwaar moesten worden genomen. De Svb concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die regularisatie rechtvaardigden en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Appellant voerde meerdere gronden aan, waaronder de toepasselijkheid van Luxemburgs recht, het ontbreken van verrekening van premies tussen lidstaten, en het gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat deze gronden niet tot bijzondere omstandigheden leiden en dat de Svb terecht het verzoek afwees. Tevens werd overwogen dat civiele afspraken tussen appellant en werkgever niet relevant zijn voor de bestuursrechtelijke beoordeling.
Verder behandelde de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de duur van de procedure van ruim vijf jaar en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, werd de overschrijding aan het bestuursorgaan toegerekend. De Svb werd veroordeeld tot betaling van € 2.000,- schadevergoeding en € 262,50 aan proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Sociale verzekeringsbank wordt veroordeeld tot betaling van € 2.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.