ECLI:NL:HR:2021:1203

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 augustus 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
20/03368
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArtikel 13 Verdrag van 30 november 1979 betreffende sociale zekerheid van RijnvarendenArtikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in sociale zekerheidszaak Rijnvarenden

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, waarin een besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 maart 2019 werd bevestigd. Dit besluit betrof een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst op grond van artikel 13 van Pro het Verdrag van 30 november 1979 betreffende sociale zekerheid van Rijnvarenden en artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004.

De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kunnen leiden. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de zaak geen vragen bevat die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Ten aanzien van proceskosten heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om een veroordeling op te leggen. Het arrest is uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en is op 6 augustus 2021 openbaar gemaakt.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03368
Datum6 augustus 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, nr. 19/1687 AOW, op het beroep van belanghebbende tegen het besluit van de Minister van 8 maart 2019 betreffende een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden respectievelijk artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Minister, vertegenwoordigd door A. van der Weerd, heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). [1]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2021.

Voetnoten

1.Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026.