ECLI:NL:CRVB:2020:2181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellante, werkzaam als verzorgende, viel uit op 5 februari 2013 en kreeg vanaf 3 februari 2015 een WIA-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 3 april 2018 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep werd een vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, die per 16 maart 2019 weer werd ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet voldoende medisch onderbouwd waren. Ook waren de geselecteerde functies passend, waarbij rekening was gehouden met de totaalbelasting.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar artrose en andere klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad volgde de rechtbank en het UWV: het medisch onderzoek was volledig en zorgvuldig, de verzekeringsarts had de functionele mogelijkheden juist ingeschat en de arbeidsdeskundige had de functies adequaat gemotiveerd als passend.
De Raad bevestigde de intrekking van de WIA-uitkering per 16 maart 2019 en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat geen relevante wijziging in de medische situatie was gebleken en de uitlooptermijn geen gevolgen had voor de beslissing.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-uitkering per 16 maart 2019 wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.